Landschapstypen

Het plateaugebied

Het plateaugebied bestaat uit de plateaus zelf met de hellingen en terraswanden, de droge dalen en de dalen van de huidige beken. Er komen rijke bosvegetaties voor, maar tevens droge heidevegetaties. In de beekdalen komen nattere vegetaties voor. Ze vormen de leefgebieden van vele bosvogels, beekvogels, reptielen en marterachtigen.

Lagere zandgronden

Het gebied van de lagere zandgronden bestaat uit een vrij vlakke laagte, ingesloten door de twee naastgelegen hogere gebieden, met veengebieden, restgeulen en enkele dekzandruggen. Hier zijn -oorspronkelijk- broekbossen, vochtige heidevegetaties, venvegetaties en ook laagveenvegetaties aan te treffen. Het is het potentiële leefgebied van met name weidevogels, amfibieën, terwijl de das er komt foerageren vanuit de naastgelegen hogere terreinen. Het is van oudsher ook het gebied waar de kraanvogel tijdens de trek voorkomt. Ook pleisteren hier tijdens de vogeltrek diverse ganzensoorten in grote aantallen. De Kraanvogel vindt er tijdens de trek een plek om te rusten en te eten. Niet voor niets staat de kraanvohel in het logo van het nationaal park de Maasduinen.

Hogere zandgronden

Het gebied van de hogere zandgronden bestaat uit stuifzanden met de typische paraboolduinen en de bijbehorende uitstuivingsvlakten. Typerend zijn de vennen die ontstaan zijn boven ondoorlatende lagen. Verder komen hier enkele beekdalen voor.

Wat betreft vegetaties komen hier vooral de armere bossen en heideterreinen voor. Daarnaast de vochtige heide- en venvegetaties, met enkele hoogveenrestanten. Het is het gebied dat bij uitstek geschikt is voor amfibieën en reptielen, waarvan de zeldzamere soorten nog in grotere populaties voorkomen. Ook voor de heidevogels heeft dit gebied grote waarden. In deze hogere zandgronden heeft de das zijn burchten.

Het maasdal

Het Maasdal bestaat naast de rivier zelf uit de uiterwaarden, met daarin oude meanders en stroomgeulen, enkele rivierduinen en mondingen van beken. Hier zijn stroomdalgraslanden, plassen en moerassen en ook het rivierbegeleidende zacht- en hardhoutooibos aan te treffen. Het is het gebied van de trekkende en overwinterende water- en weidevogels. Indien steile randen aanwezig zijn, kan de oeverzwaluw voorkomen. Net zoals de lagere zandgronden is het maasdal een geschikt foerageergebied van de das.